Het verhaal achter de naam
De liefdestragedie van Maaskercke
In de vroege Middeleeuwen raakten de oevers van de Maas
weer wat meer bewoond, na aan het einde van de Romeinse tijd te
zijn verlaten door de toenmalige bewoners van de streek. Zo rond
het jaar 500 na Christus werden hier en daar de eerste nederzettingen
opgericht door de inheemse bevolking, die door de Romeinen
honderden jaren uit het gebied verdreven waren geweest.
Sommige van deze nederzettingen werden gebouwd op de ruïnes
van Romeinse dorpen. In deze streek gebeurde dat bijvoorbeeld
met het latere Mijnsheerenland en, in zekere zin, ook met
's-Gravendeel. Alleen Mijnsheerenland ligt nu nog op de oorspronkelijke
plaats waar al tweeduizend jaar wordt gewoond, bij
's-Gravendeel is dat iets anders. Ten oosten van het huidige
's-Gravendeel ligt volgens de overleveringen de even grote voorganger
van het Kildorp. Dat moet ten tijde van de Grote Overstromingen
zijn vergaan. Het was daar dat zich in de vroege Middeleeuwen
de liefdestragedie van de jonkvrouwe Bethinda en haar
Mijnaert voltrok.
Na het vertrek van de Romeinen was het enkele eeuwen
betrekkelijk rustig langs de oevers van de Maas. Zoals gezegd
ontstonden hier en daar wat nederzettingen van boeren en
handelaren. Zij allen behoorden tot de stammen der Friezen. Eén
van die nederzettingen groeide uit tot Maaskercke, een dorp dat in
zijn bloeitijd ruim 3500 inwoners telde. Maaskercke was een plaats
waar zich evenals in het verderop langs de grote rivieren gelegen
Dorestad [later Wijk bij Duurstede, red.] een rijke handel en ambachtsstand ontwikkelde. Echter
in de zevende eeuw kregen de dorpelingen te maken met de rooftochten
van de Vikingen. Zij kwamen via de Noordzee het
Hellinium, de riviermonding van Maas en Waal ten westen van
Maaskercke, opvaren op hun rooftochten naar het rijke Nijmegen
en Keulen.
Tijdens deze tochten beroofden de Noormannen alles wat
hun weg kruiste en zo viel menige nederzetting in de Laaglandse
rivierdelta ten prooi aan de woeste Vikingen. Ook Maaskercke
viel meerdere malen ten prooi aan de overzeese roversbenden. In
totaal vijf keer werd het dorpje verwoest, totdat aan het einde van
de negende eeuw er door een vredesbestand tussen een Frankische
koning en een Vikingheerser een eind kwam aan de plunderingen.
Helaas kwam die vrede te laat voor de Maaskerckse
jonkvrouwe Bethinda en haar Mijnaert. Want in het jaar 695 werd
Maaskercke voor de tweede keer door de Vikingen bezocht.
Naar verluidt was jonkvrouwe Bethinda de mooiste onder
de Friezen en haar schoonheid werd geroemd tot ver in Brabant
en het Gelderse. Zelfs tot in het verre Scandinavië werd over de
schoonheid van Bethinda van Maaskercke verhaald. Menig vooraanstaande
jongeling ijverde om de hand van de schone jonkvrouwe.
Maar zij had haar hart verloren aan Mijnaert, de bastaardzoon van
een Frankische edelman. Toen het hart van Mijnaert de roep van
dat van Bethinda hoorde, bloeide er een hartstochelijke liefde op
tussen het tweetal. Die band zou worden besloten met een groots
huwelijk dat zou worden voltrokken door een gezant uit Rome
van de Paus.
De dag dat de inzegening plaatsvond was de dag die het noodlot
had voorzien om een zwarte schaduw over de liefde tussen
Bethinda en Mijnaert te werpen. Soldaten van de graaf van Strien,
die de burcht van Weede bemanden, waarschuwden een
Maaskerckenaar dat drakeschepen de Maasmonding opvoeren.
Juist op het moment dat de geestelijke aan de plechtigheid wilde
beginnen, stormde de dorpsgenoot de zaal binnen en schreeuwde
«De Vikingen, de Vikingen!» Snel werd door de heer van
Maaskercke een verdediging van het gebied georganiseerd. Alle
mannen grepen de wapens en onder aanvoering van de heer van
Maaskercke haastten zij zich naar de havenkade van de nederzetting.
Daar waren de Noormannen inmiddels al met hun schepen
aangekomen. De dorpelingen, veelal lijfeigenen en vrije boeren die
op de landerijen rond Maaskercke werkten, waren echter geen
partij voor de geoefende Vikingkrijgers. Dapper en fier vochten
de mannen van Maaskercke om het behoud van hun geliefden,
have en goed. Maar tevergeefs, velen onder hen stierven een heldendood.
De verdediging van Maaskercke werd in een gevecht
dat nog geen halve dag duurde door de bestormers uit het Noorden
opgerold en vrijwel niemand van de verdedigers overleefde
de slachting. Ook de heer van Maaskercke kwam om door de
bloedige en meedogenloze slagen van een Vikingbijl. Maaskercke
was samen met de overblijvende bevolking overgeleverd aan de
genade van de Noormannen.
De Vikingleider, Jarl Harald, had van zijn koning opdracht
gekregen om bij deze tocht niet alleen een rijke buit aan juwelen,
goud en andere rijkdommen mee terug te nemen naar de Noordse
fjorden. Harald kreeg van zijn vorst Hagar de koninklijke opdracht
om Bethinda van Maaskercke te roven en te ontvoeren naar zijn
hof. Daarom begonnen Harald en zijn mannen direct na de nederlaag
van de verdedigers van het dorp een zoektocht naar de mooie
Bethinda. Mijnaert was tijdens de gevechten al gevangen genomen
en tijdens de daaropvolgende plundering door de roversbende
van Harald viel ook Bethinda in handen van de Vikingen. Harald
voerde haar samen met Mijnaert mee terug naar het koude Noorden.
Eenmaal aangekomen aan het hof van de Vikingkoning smeet
Hagar Mijnaert in het gevang. Koning Hagar was inmiddels op de
hoogte gebracht van de band tussen Bethinda en Mijnaert, maar
was niet van plan zich daardoor te laten afhouden van zijn voornemen
om Bethinda koningin van zijn Vikingrijk te maken. Bethinda
werd aan het hof ontboden, maar in plaats van de versproken
schoonheid van de jonkvrouwe die Hagar in het vooruitzicht was
gesteld, zag hij een jonge vrouw die verscheurd werd door smart
in de wetenschap nooit meer aan de zijde van haar zo geliefde
Mijnaert te kunnen vertoeven.
Hagar, die alom berucht was om zijn wreedheid, voelde plots
deernis in zijn hart toeslaan. Toen Bethinda hem smeekte om haar
niet de zijne te maken maar haar weer samen te brengen met haar
Mijnaert, wist Hagar dat hij Bethinda en haar geliefde hun vrijheid
moest schenken. De twee mochten het rijk van Hagar verlaten en
voeren per schip terug naar het land waar zij voor de rest van hun
leven elkanders zouden blijven. Dat zou aan deze gebeurtenis een
gelukkig slot bezorgen, ware het niet dat op slechts enkele mijlen
van hun Maaskercke het noodlot alsnog toesloeg. Een roversbende
enterde het schip van Mijnaert en Bethinda en verwondden Mijnaert
vreselijk in een gevecht op leven en dood. Het schip raakt in
brand maar Mijnaert wist desondanks de rovers te verjagen. Toch
stierf hij enkele stonden later aan zijn verwondingen in de armen
van zijn beminde Bethinda.
In het zicht van hun thuishaven raakte Bethinda radeloos van
verdriet om het verlies van haar Mijnaert. Ze pakte de daggert van
haar geliefde en onder het slaken van een zielsverscheurende
schreeuw stootte ze het wapen in haar hart. Bethinda stortte dodelijk
gewond overboord en verdween in de diepten van de Maas.
Even later werd zij gevolgd door de brandende restanten van het
schip waar Mijnaert zijn laatste rustplaats had gevonden. Zo kwam
er op tragische wijze een einde aan de aardse liefde van Bethinda
van Maaskercke en haar Mijnaert.
Met toestemming overgenomen uit «Sagen en Legenden uit de Hoeksche Waard»
Tekst: Jeroen Ras en Arnold de Man
©1995 Uitgeverij Elf & Elf